‘The Big Four’

In de vorige blog schreef ik over de evolutie van de viool door kleine fouten. Wetenschappelijk onderzoek van Daniel H. Chitwood (Morphological Evolution of the Violin) gaat ook in op de veranderingen van de viool. Chitwood laat zien dat je violen op basis van de vorm kan onderverdelen in vier hoofdgroepen; ‘Maggini’, ‘Amati’, ’Stainer’ en ‘Stradivaríus’. Tussen deze ‘Big Four’ bestaan kleine verschillen in vorm (details van de hoekpunten, breedte van de zijkanten en bladen) zonder dat ze wezenlijk leiden tot andere klankeigenschappen. Deze vier hoofdgroepen zijn ontstaan door de tijd (het reproduceren en kopiëren van violen) en kunnen verklaard worden door familiaire en geografische verwantschap.

Toch kunnen kleine verschillen wel degelijk van invloed zijn op de klank. Mooi voorbeeld hiervan zijn de F-gaten. Al tijdens de verschillende generaties van de familie Amati is een trend te zien naar smallere F-gaten. Dit zorgt, met name in de lagere tonen, voor meer klank. Later zijn de F-gaten verder vervolmaakt door Stradivarius en Guarnerius. Zij maakten de f-gaten groter. Dit zorgt voor nog meer volume. De violen van Amati worden daarom vooral gebruikt voor kamermuziek, terwijl de violen van Stradivarius en Gaurnerius favoriet zijn in de grote concertzalen. Hierboven zie je het verschil tussen de F-gaten van Amati en Guarnerius.